Welke slagen heb je nodig bij squash?
Je hebt acht slagen nodig: de drive, de cross, de lob, de boast, de dropshot, de volley, de service en de return. De eerste maanden gebruik je er vooral drie, de drive, de service en de return, en de rest komt zodra die zitten. Bij squash komt de bal altijd terug, dus het draait minder om kracht en meer om waar de bal terechtkomt. Dit is geen reglement: doet je trainer het anders, volg dan je trainer.

De acht slagen
| Slag | Wanneer | Waarom |
|---|---|---|
| drive | de bal langs de zijmuur naar achteren, forehand of backhand | de basisslag: de bal komt achterin en de ander moet van de T af |
| cross | de bal schuin over de baan naar de andere achterhoek | om de ander te laten lopen als hij langs één muur staat te wachten |
| lob | hoog en zacht over de ander heen naar een achterhoek | tijd winnen als je laat bent, en de ander naar achteren sturen |
| boast | via de zijmuur op de voormuur, meestal uit een achterhoek | de bal die je niet meer recht kunt spelen toch naar voren brengen |
| dropshot | zacht en laag vooraan, vlak boven de tin en dicht bij de zijmuur | de rally afmaken als de ander achterin staat |
| volley | uit de lucht, voordat de bal stuit | tijd van de ander afpakken en zelf niet de achterhoek in hoeven |
| service | de eerste slag van elke rally, uit het servicevak | de enige slag die je helemaal zelf bepaalt, en je hebt er één kans voor |
| return | de tweede slag, het antwoord op de service | de bal diep terug, zodat de rally op jouw voorwaarden begint |
De grip
Houd het racket vast alsof je een hamer vasthoudt, met de zijkant van het blad naar beneden. De V tussen je duim en je wijsvinger ligt boven op het handvat, en je wijsvinger ligt iets hoger dan de andere vingers, alsof hij aan een trekker ligt. Het handvat ligt in je vingers, niet in je vuist.
Draai het racket een klein stukje open, zodat het blad iets naar het plafond wijst op het moment dat je de bal raakt. Een open blad tilt de bal boven de tin en geeft hem snijding, waardoor hij na de stuit laag blijft. Forehand, backhand, volley en service sla je allemaal met dezelfde grip, want de bal komt van de muur terug voordat je kunt nadenken. Knijp niet: houd het racket stevig genoeg om het niet te laten draaien.
Klaarstand en voetenwerk
Voeten iets wijder dan je schouders, knieƫn gebogen, gewicht op de voorvoeten, en het racket omhoog, het blad ongeveer op schouderhoogte. Dat laatste is het verschil tussen een beginner en een gevorderde: wie het racket laat hangen, moet het eerst optillen, en die halve seconde heb je bij squash niet.
Naar de bal loop je met kleine, snelle stappen, zodat je op elk moment kunt bijsturen. De laatste stap is een uitvalspas: een grote stap met je voorste voet, knie gebogen, achterste been gestrekt. Je staat laag en stabiel en de bal komt op armlengte voor je. Je staat met je zij naar de zijmuur als je slaat, niet met je borst naar de voormuur, want zo kun je je schouders draaien en de bal langs de muur sturen. Voeten voor armen: eerst goed staan, dan slaan.
Drive en cross
Bij de drive draai je vroeg: zodra je ziet waar de bal komt, draai je je schouders en breng je het racket omhoog en naar achteren. Uitvalspas, en dan sla je de bal naast je voorste voet, ongeveer op kniehoogte, met een licht open blad. Je zwaait door in de richting waar de bal heen moet: langs de zijmuur. Mik boven de servicelijn, want hoe hoger je raakt, hoe dieper de bal komt.
Een goede drive stuit achter de korte lijn, loopt dicht langs de zijmuur en sterft in de achterhoek. Een drive die van de zijmuur af in het midden van de baan komt, is een cadeau. De cross is dezelfde slag, maar schuin over de baan naar de andere achterhoek: je raakt de bal iets meer voor je en zwaait door naar het midden van de voormuur. Een goede cross raakt de zijmuur pas achter het servicevak.
Lob, boast, dropshot en volley
De lob sla je van laag naar hoog met een open blad, zacht, hoog op de voormuur en ruim onder de uitlijn, zodat de bal in een boog over de ander heen naar een achterhoek zweeft. Hij koopt tijd als je laat bent. Te laag is een volley voor de ander, te hoog is uit.
Bij een boast speel je de bal eerst tegen de zijmuur, zodat hij van daar op de voormuur komt. Je gebruikt hem vooral in de achterhoek, als de bal achter je zit en je het racket er niet meer recht achter krijgt. Mik op de zijmuur, iets voor je, en zwaai door.
De dropshot is een zachte bal die net boven de tin op de voormuur komt en dicht bij de zijmuur naar beneden valt. Korte zwaai, open blad, licht onder de bal door snijden, en niet duwen: de bal moet van het racket springen. Sla hem uit een lage uitvalspas, zodat je ogen op balhoogte zitten. Een handbreedte boven de tin is genoeg.
Een volley is elke bal die je uit de lucht slaat. Racket omhoog, een korte slag zonder uithaal, en je raakt de bal voor je: de snelheid zit al in de bal. Volleer als de bal hoog en langzaam van de voormuur komt, of als een lob of een service van de zijmuur af te pakken is.
Service en return
De lobservice is de service waarmee de meeste spelers beginnen. Je staat in het servicevak met je borst half naar de voormuur, laat de bal uit je hand vallen en slaat hem van laag naar hoog met een open blad. Mik hoog op de voormuur, iets uit het midden aan de kant van de ontvanger. De bal raakt dan de zijmuur boven het servicevak van de ontvanger en valt in de achterhoek.
De harde service sla je als een drive: laag boven de servicelijn, hard, gericht op de achterhoek of op het lichaam van de ontvanger. Gebruik hem als afwisseling, want als hij niet goed zit, geeft hij een makkelijke return weg.
Voor de return sta je klaar in de kwartbaan, ongeveer een halve meter van de achterwand en van de zijmuur, met je hoofd over je schouder gedraaid zodat je de serveerder en de bal ziet. Racket omhoog. Komt de service hoog van de zijmuur af, volleer hem dan als dat kan. Anders laat je hem stuiten en speel je een drive: diep en dicht langs de zijmuur.

Situaties op de baan
Wat is de juiste beslissing? Klik op een situatie voor het antwoord.
De bal komt hard in de achterhoek en je wilt hem daar meteen uit de hoek peuteren.
Wacht. Laat de bal tegen de achterwand stuiten: hij komt langzamer en op een makkelijke hoogte naar je toe, en je slaat de rustigste drive van de wedstrijd.
Je staat op de T en de bal komt hoog en langzaam van de voormuur voorbij.
Volleer hem. Je pakt de ander tijd af en je hoeft zelf niet de achterhoek in.
Je bent laat bij de bal en staat uit positie, vooraan in de baan.
Sla een lob: hoog op de voormuur en ruim onder de uitlijn, naar een achterhoek. Terwijl de bal in de lucht is, loop je terug naar de T.
Veelgestelde vragen over de slagen
Welke slag leer je als eerste bij squash?
De drive: de bal langs de zijmuur naar achteren, forehand en backhand. Daarna de service en de return.
Wat is een boast?
Een bal die je eerst tegen de zijmuur speelt en die van daar op de voormuur komt. Je gebruikt hem vooral in de achterhoek, als je het racket niet meer recht achter de bal krijgt.
Hoe houd je een squashracket vast?
Met de hamergrip: de V tussen duim en wijsvinger boven op het handvat, de wijsvinger iets hoger dan de rest, en het racketblad een stukje open. Dezelfde grip voor elke slag.
Waarom mislukken mijn dropshots?
Meestal door duwen en door te laag mikken. Korte zwaai, open blad, uit een lage uitvalspas, en een handbreedte boven de tin is genoeg.
Wat is het verschil tussen een lob en een cross?
Een lob gaat hoog en zacht over de ander heen naar een achterhoek en koopt tijd. Een cross gaat schuin over de baan naar de andere achterhoek en laat de ander lopen.