De spelregels van squash, in de volgorde van een wedstrijd
Squash speel je met twee spelers op dezelfde baan, met een racket en een kleine zachte bal tegen vier muren. Elke bal moet op de voormuur komen, boven de tin en onder de uitlijn, rechtstreeks of via een andere muur, en mag daarna één keer stuiten. Je wint de rally als je tegenstander de bal niet meer goed terugslaat. Elke rally is een punt, een game gaat tot 11 en een wedstrijd om drie gewonnen games. Je hebt één service, zonder tweede kans, en na je slag maak je ruimte voor de ander. Hieronder staan alle regels in de volgorde waarin je ze op de baan tegenkomt, van de toss voor de wedstrijd tot de handdruk na afloop.
Voor de wedstrijd
Squash speel je met twee spelers in een afgesloten ruimte met vier muren: een voormuur, twee zijmuren en een achterwand, meestal van glas. Er is geen net en geen eigen helft. Jullie slaan om de beurt dezelfde bal, en elke bal moet op de voormuur komen. De baan is 9,75 meter lang en 6,40 meter breed. Op de vloer liggen de korte lijn, de halve-baanlijn en de twee servicevakken; waar de korte lijn en de halve-baanlijn elkaar raken, staat de T.

Voor de wedstrijd is er een toss: een speler draait zijn racket en de ander raadt welke kant boven komt. De winnaar serveert als eerste. Daarna slaan jullie samen de bal warm, hoogstens vier minuten, en na twee minuten wisselen jullie van kant. Dat heet inslaan, en jullie krijgen allebei evenveel ballen. Een koude squashbal stuit nauwelijks; pas warm komt er een rally van de grond. Tussen het inslaan en de eerste service zit hoogstens een minuut.
Wat je draagt en meeneemt: indoorschoenen met zolen die niet afgeven, een squashbril (de WSF raadt hem iedereen aan, bij jeugd- en dubbeltoernooien is hij verplicht, in Nederland in wedstrijden onder de 19), en een bal met de stip die bij je past: blauw of rood als je begint, geel en dubbel geel voor gevorderden en wedstrijden. Op de baan ligt niets: geen bidon, geen handdoek, geen reservebal. De deur is dicht zodra jullie spelen.


De service
Elke rally begint met een service uit een van de twee servicevakken, en wie de vorige rally won, serveert. Je serveert pas als de stand is geroepen en de ontvanger klaarstaat. Een goede service voldoet aan vijf eisen.
Je laat de bal uit je hand of van je racket vallen of gooit hem op, en je slaat hem voordat hij iets anders raakt. Op het moment van slaan staat een voet op de vloer binnen het servicevak, vrij van elke lijn; de andere voet mag overal staan, ook in de lucht.
De bal gaat rechtstreeks naar de voormuur en raakt die tussen de servicelijn en de uitlijn, zonder tegelijk een zijmuur te raken. De eerste stuit valt in de kwartbaan schuin tegenover, vrij van elke lijn, tenzij de ontvanger de bal uit de lucht slaat. En de bal is niet uit. Raakt je service de servicelijn, de korte lijn of de halve-baanlijn, dan is het een fault.
Je hebt één kans. Een service die aan een van de eisen niet voldoet, is een fault en de rally is meteen voor de ontvanger, zonder tweede service en zonder let. Laat je de bal vallen zonder een poging om hem te slaan, dan is er nog niets gebeurd en begin je opnieuw. Zwaai je mis terwijl de bal nog in de lucht hangt, dan mag je nog een keer slaan.
Serveer je terwijl de ontvanger niet klaarstaat en geen poging doet om te slaan, dan is het een let en serveer je opnieuw. Was die service fout, dan ben je de rally toch kwijt. De ontvanger mag de service laten stuiten of hem volleren. Onderhands of bovenhands mag allebei; de meeste spelers kennen een hoge lobservice en een harde lage service.

Tellen: tot 11
Elke rally levert een punt op, ook als je niet serveert: point-a-rally. Wie de rally wint, krijgt het punt en serveert de volgende. Een wissel van serveerder heet hand out. Een game gaat tot 11 punten; staat het 10-10, dan speel je door tot een van jullie twee punten voorstaat: 12-10, 13-11, zonder plafond. Een wedstrijd is meestal best of 5, drie gewonnen games, en soms best of 3.
De stand roep je met de punten van de serveerder eerst. Staat het 5-3 en wint de ontvanger de rally, dan wordt hij serveerder en draait de stand om: "hand out, 4-5". De volgorde zegt dus wie serveert, niet wie voorstaat.
Bij een officiële wedstrijd roept de marker de stand na elke rally, met "game ball" als een speler nog een punt nodig heeft voor de game en "match ball" voor de wedstrijd; 0 is love. Op de club zeg je het zelf, in het Nederlands: "zeven-vier, van rechts."

De rally
Na een goede service slaan jullie om de beurt. Je bent aan slag vanaf het moment dat de bal van je tegenstander van de voormuur terugkomt, tot jouw bal de voormuur raakt.
Een terugslag is goed als je de bal correct slaat, met het racket in je hand, één keer en zonder hem te dragen, voordat hij twee keer heeft gestuit. De bal raakt de voormuur boven de tin en onder de uitlijn, rechtstreeks of via een of meer andere muren, zonder eerst de vloer of een speler te raken. Op de terugweg raakt hij de tin niet, en hij is niet uit.
Elke muur mag meedoen. De bal mag eerst een zijmuur raken, de achterwand, of allebei, als hij maar zonder stuit op de voormuur komt. Je mag hem uit de lucht slaan of na één stuit; na de tweede stuit is hij weg. Een bal die na de stuit de achterwand raakt en terugkomt, mag je gewoon spelen, want de muur telt niet als stuit. Tijdens de rally spelen de lijnen op de vloer geen rol: je mag overal staan en de bal mag overal stuiten.
De rally stopt als iemand de bal fout slaat, als een speler een let vraagt, als een official roept, of als de bal een speler raakt. Wie de fout maakt, verliest de rally, of hij nu serveerde of ontving. Raakt de bal jou na je eigen slag of voordat je hem sloeg, zonder dat er hinder was, dan is de rally voor de ander.
De bal op de muren
Onderaan de voormuur zit de tin, een metalen strook tot en met de lijn op 0,48 meter (bij de profs 0,43). Erop of eronder is down, en je hoort het aan het geluid.
Bovenaan loopt de uitlijn op 4,57 meter, over de zijmuren schuin omlaag naar 2,13 meter op de achterwand. Op of boven de uitlijn is uit. De servicelijn op 1,78 meter telt alleen bij de service. Alle lijnen zijn 5 centimeter breed en horen bij uit: op de lijn is fout, anders dan bij tennis en padel.
Bij een fout roept de marker een van vier woorden, en op de club zeg je ze zelf. Fault is een foute service. Down is een bal op de tin, of op de vloer voordat hij bij de voormuur was.
Out is een bal op of boven de uitlijn, tegen de bovenrand van een muur, over de muur of tegen een lamp. Not up is een bal die twee keer stuitte, niet zuiver geslagen werd, of jou of je kleding raakte. Twijfelt de marker, dan roept hij niets en loopt de rally door; zonder marker roep je alleen wat je zeker weet.

Gaat de bal tijdens de rally kapot, dan spelen jullie die rally opnieuw. Stop je omdat je denkt dat hij kapot is en blijkt hij heel, dan is de rally voor de ander; knijp dus eerst even.
Een bal die vast komt te zitten, bijvoorbeeld onder de glazen achterwand, is een let. Een rare stuit van een natte plek of een naad in de vloer is geen let. De bal wordt gewisseld als jullie het allebei willen, en na een wissel of een langere onderbreking slaan jullie hem weer warm.
Hinder: let, stroke en no let
Jullie delen dezelfde ruimte en spelen allebei naar de voormuur, dus na je slag maak je ruimte. Je tegenstander heeft recht op vier dingen: vrij zicht op de bal, een vrije weg ernaartoe, ruimte voor een normale zwaai, en de vrijheid om de bal naar elke plek op de voormuur te slaan. Ontbreekt een van de vier terwijl hij alles doet om de bal te spelen, dan is er hinder.
Word je gehinderd, dan stop je meteen, steek je je hand op en vraag je "Let, please". Wie eerst doorspeelt, de bal mist en dan pas vraagt, krijgt niets. Vragen om een let is ook vragen om een stroke. Er zijn drie uitkomsten: no let (de rally is voor je tegenstander), let (jullie spelen over en de serveerder serveert uit hetzelfde vak) en stroke (de rally is voor jou). Op de club beslissen jullie dat samen, en bij twijfel is het een let.

De beslisregels in gewone taal. Geen hinder: no let. Wel hinder, maar je had de bal toch niet gehaald: no let. Je speelde door en vroeg daarna: no let. De hinder was zo klein dat je de bal kon zien, erbij kon komen en goed kon slaan: no let. De ander deed niet alles om weg te komen terwijl jij een goede slag had: stroke. De ander deed alles en jij had een goede slag: let. Jij had een winnende slag gehad: stroke, ook als de ander zijn best deed.
Draai je zo om je as dat je de bal of je tegenstander uit het oog verliest, of gaat de bal achter je langs, dan is dat turning. Wie draait en toch slaat, slaat blind: stop en vraag een let.
Kwam de hinder door je eigen te grote zwaai, dan is het no let. Staat je tegenstander tussen jou en de voormuur, sla dan niet; zou de bal hem rechtstreeks hebben geraakt, dan is het een stroke voor jou. Veiligheid gaat voor een punt: liever een keer te veel gestopt dan een keer geraakt.
Wisselen en pauzes
Aan het begin van elke game en na elke hand out kiest de serveerder zelf een servicevak, links of rechts; daarna wisselt hij van vak na elke gewonnen rally, zolang hij serveert. Na een let serveert dezelfde speler opnieuw uit hetzelfde vak, want een let telt niet als rally.
Serveer je per ongeluk uit het verkeerde vak en merkt niemand het, dan blijft de uitslag van die rally staan, en win je hem, dan serveer je daarna uit het andere vak. Twijfel je, dan vraag je het: bij een officiële wedstrijd zegt de marker welk vak het juiste is.

Tussen de games heb je hoogstens twee minuten, en eerder verdergaan mag als jullie het allebei willen. In de pauze mag je de bal slaan, zodat hij warm blijft. Water drinken doe je in de pauze; tijdens een game verlaat je de baan alleen met toestemming van de scheidsrechter. Breekt je racket, raakt je bril beschadigd of verlies je een contactlens, dan heb je hoogstens twee minuten om het te vervangen. Je tweede racket staat vlak buiten de deur.
Voor een blessure gelden vaste tijden: hooguit drie minuten als je hem zelf veroorzaakte, vijftien minuten als jullie hem samen veroorzaakten of als de ander hem per ongeluk veroorzaakte. Bloed betekent van de baan, het bloeden stoppen en de wond afdekken; bij eigen schuld heb je daar hooguit vijf minuten voor.
Kramp, een blaar of buiten adem zijn geen blessure: je speelt door, of je geeft de game op en gebruikt de pauze. Of je doorspeelt, beslis je altijd zelf.
Gedrag en etiquette
De spelregels beginnen met twee grondbeginselen: veiligheid en fair play. Op de club staat er niemand naast de baan, dus jullie zijn samen de scheidsrechter en de marker. Je geeft eerlijk toe: de tweede stuit, je bal die uit was, de bal van de ander die goed was. Je zegt voor elke service hardop de stand. Bij hinder beslissen jullie samen, en je spreekt elkaar aan als iemand doorspeelt waar hij had moeten stoppen.
Word je afgeleid tijdens de rally, dan vraag je meteen een let. Kwam de afleiding per ongeluk van een van jullie of van buiten, dan is het een let; onderbrak hij een winnende slag van de ander, dan is de rally voor die ander.
Valt je racket, dan raap je het op en speel je door. Valt er iets anders van jou op de vloer, een zweetband, een pet, je bril, zonder contact met de ander, dan is de rally voor de ander. Doe dus alles uit je zakken. Wordt de vloer nat van zweet, dan vraag je aan het eind van de rally om hem te drogen.
De regels noemen wat buiten fair play valt: vloeken en gebaren, duwen, gevaarlijk spel, protesteren tegen een official, je racket of de baan mishandelen, oneerlijk inslaan, tijd rekken, opzettelijk afleiden en coaching aannemen tijdens het spel.
De straftrap heeft vier stappen: een gedragswaarschuwing, een gedragsstroke, een gedragsgame en een gedragswedstrijd. Coachen mag alleen in de pauze tussen de games; ook een gebaar door het glas valt eronder.
Verder gelden de gebruiken: de bal na de rally rustig naar de serveerder spelen, een let-vraag in een paar seconden afhandelen en door, wachten tot de rally voorbij is en de spelers je gezien hebben voordat je een baan opgaat, en de baan op tijd verlaten als de volgende spelers staan te wachten, met je bal en je reservebal.
Het einde van de wedstrijd
De wedstrijd is voorbij zodra een speler drie games heeft gewonnen. Na afloop geef je een hand of tik je rackets: de verliezer feliciteert, de winnaar bedankt. Was de bal kapot, dan zeg je dat voordat je de baan verlaat.
Daarna hoort de nabespreking bij een drankje bij het spel, en een compliment aan je tegenstander kost niets. En de belangrijkste regel staat nergens in het reglement: blijf het leuk vinden. Wie plezier heeft, komt vaker en leert sneller.
Techniek
Vanaf hier gaat het niet meer over de spelregels. Dit is wat veel trainers aanleren; doet je trainer het anders, volg dan je trainer. Squash draait minder om kracht en meer om waar de bal terechtkomt, want de bal komt altijd terug.
Je houdt het racket vast als een hamer, met de V tussen duim en wijsvinger boven op het handvat, en je draait het blad een klein stukje open, zodat de bal boven de tin blijft. Dezelfde grip voor forehand, backhand, volley en service, en zonder knijpen.
Klaarstaan doe je met de voeten iets wijder dan je schouders, de knieën gebogen en het racket omhoog op schouderhoogte. Naar de bal loop je met kleine stappen, de laatste is een uitvalspas, en je slaat met je zij naar de zijmuur. Voeten voor armen: wie op tijd bij de bal staat, slaat rustiger en nauwkeuriger. Dit zijn de acht slagen:
- drive: langs de zijmuur naar achteren, de basisslag; de bal komt achterin en de ander moet van de T af
- cross: schuin over de baan naar de andere achterhoek, om de ander te laten lopen
- lob: hoog en zacht over de ander heen naar een achterhoek, om tijd te winnen als je laat bent
- boast: via de zijmuur op de voormuur, voor de bal in de achterhoek die je niet meer recht kunt spelen
- dropshot: zacht en laag vooraan, vlak boven de tin en dicht bij de zijmuur, als de ander achterin staat
- volley: uit de lucht, voordat de bal stuit, om de ander tijd af te pakken
- service: de eerste slag van elke rally, de enige slag die je helemaal zelf bepaalt
- return: het antwoord op de service, diep terug zodat de rally op jouw voorwaarden begint

De lobservice is de service om mee te beginnen: van laag naar hoog met een open blad, hoog op de voormuur, zodat de bal via de zijmuur boven het servicevak van de ontvanger in de achterhoek valt. De harde service is de afwisseling. Als ontvanger sta je in de kwartbaan met je racket omhoog en je hoofd over je schouder gedraaid, en je speelt de return diep en langs de zijmuur; komt de service hoog van de zijmuur af, dan volleer je hem.
Tactiek
Squash draait om de positie rond de T. Na je slag geef je de ander eerst de ruimte en dan loop je terug naar de T: net achter de korte lijn, je voeten aan weerszijden van de halve-baanlijn, het racket omhoog. Van daar is elke hoek even ver. Op de T kijk je over je schouder naar de bal en naar de ander: zijn racket vertelt je wat er komt. Laag en zacht is een dropshot, hoog en open een lob, achter hem in de hoek een boast.

Lengte is de basis: de bal achterin houden, langs de zijmuur, met de drive. Dat is het antwoord op negen van de tien ballen. De rally win je door de ander van hoek naar hoek te sturen, eerst de twee achterhoeken, en pas als hij achter je staat de voorhoeken.
Speel laag, met marge: een handbreedte boven de tin voor een dropshot, boven de servicelijn voor een drive. Kort spelen doe je alleen als de ander achter je staat; een boast uit de achterhoek naar een tegenstander op de T is een dropshot voor hem.
Elke bal bepaalt hoeveel tijd jullie allebei krijgen. Ben je laat of uit positie: lob, en loop naar de T terwijl de bal in de lucht is. Sta je op de T en komt de bal hoog en langzaam voorbij: volley. Wissel hard af met zacht en lengte met kort.
Bij squash heb je één service, dus de lobservice naar de backhand van de ontvanger is je eerste wapen; tegen een rechtshandige kies je het rechter servicevak. De return is diep en langs de muur, altijd.
De fouten die iedereen maakt
Tien fouten die bijna elke beginner maakt, ongeveer in de volgorde waarin je ze tegenkomt:
- blijven staan waar je sloeg, terwijl de ander een let vraagt en die krijgt
- alles cross spelen, zodat de bal in het midden komt waar de ander al staat
- de boast als paniekslag uit de achterhoek, een dropshot voor de ander
- te laag mikken en de tin raken; neem marge
- meteen beginnen met een dubbelgele bal, en denken dat het aan jou ligt dat er geen rally komt
- een zwaai met gestrekte arm, terwijl de ander op een kleine baan vlak naast je staat
- de service als formaliteit slaan, terwijl je er één kans voor hebt
- alles hard slaan; sla op zeventig procent en gebruik de rest voor plaatsing
- geen bril, terwijl de bal precies in een oogkas past
- slaan met je rug naar de ander zonder te kijken; zie je hem niet, stop dan en vraag een let
Vier slimmigheden van ervaren spelers: kijk voor elke slag over je schouder waar de ander staat en kies daarop je slag; laat een harde bal in de achterhoek van de achterwand komen in plaats van hem in de hoek op te vissen; draai tegen een linkshandige alles om, zijn backhand zit rechts; en gebruik de seconden tussen de rally's om uit te ademen en je service te kiezen.
Sneller beter word je met les, met spelers die iets beter zijn dan jij, alleen tegen de muur, en in de laddercompetitie van je centrum.