SQUASH 58 — Leer en Speel

De spelregels van squash, in de volgorde van een wedstrijd

Squash speel je met twee spelers op dezelfde baan, met een racket en een kleine zachte bal tegen vier muren. Elke bal moet op de voormuur komen, boven de tin en onder de uitlijn, rechtstreeks of via een andere muur, en mag daarna één keer stuiten. Je wint de rally als je tegenstander de bal niet meer goed terugslaat. Elke rally is een punt, een game gaat tot 11 en een wedstrijd om drie gewonnen games. Je hebt één service, zonder tweede kans, en na je slag maak je ruimte voor de ander. Hieronder staan alle regels in de volgorde waarin je ze op de baan tegenkomt, van de toss voor de wedstrijd tot de handdruk na afloop.

Voor de wedstrijd

Squash speel je met twee spelers in een afgesloten ruimte met vier muren: een voormuur, twee zijmuren en een achterwand, meestal van glas. Er is geen net en geen eigen helft. Jullie slaan om de beurt dezelfde bal, en elke bal moet op de voormuur komen. De baan is 9,75 meter lang en 6,40 meter breed. Op de vloer liggen de korte lijn, de halve-baanlijn en de twee servicevakken; waar de korte lijn en de halve-baanlijn elkaar raken, staat de T.

Bovenaanzicht van een squashbaan met de voormuur bovenaan en de glazen achterwand onderaan: de serveerder S met een voet in het rechter servicevak, de ontvanger O in de kwartbaan schuin tegenover hem, en de gestippelde weg van de service eerst naar de voormuur en daarna terug naar de kwartbaan van de ontvanger
De baan van boven: de serveerder (S) met een voet in het servicevak, de ontvanger (O) in de kwartbaan schuin tegenover. De gele lijn is de service: eerst op de voormuur boven de servicelijn, dan terug in de kwartbaan van de ontvanger.

Voor de wedstrijd is er een toss: een speler draait zijn racket en de ander raadt welke kant boven komt. De winnaar serveert als eerste. Daarna slaan jullie samen de bal warm, hoogstens vier minuten, en na twee minuten wisselen jullie van kant. Dat heet inslaan, en jullie krijgen allebei evenveel ballen. Een koude squashbal stuit nauwelijks; pas warm komt er een rally van de grond. Tussen het inslaan en de eerste service zit hoogstens een minuut.

Wat je draagt en meeneemt: indoorschoenen met zolen die niet afgeven, een squashbril (de WSF raadt hem iedereen aan, bij jeugd- en dubbeltoernooien is hij verplicht, in Nederland in wedstrijden onder de 19), en een bal met de stip die bij je past: blauw of rood als je begint, geel en dubbel geel voor gevorderden en wedstrijden. Op de baan ligt niets: geen bidon, geen handdoek, geen reservebal. De deur is dicht zodra jullie spelen.

Bovenaanzicht van een squashbaan met alle maten: 9,75 meter lang en 6,40 meter breed, de korte lijn 4,26 meter van de achterwand en 5,49 meter van de voormuur, de halve-baanlijn naar de achterwand, de twee servicevakken van 1,60 bij 1,60 meter tegen de zijmuren, de twee kwartbanen en de T
Bovenaanzicht met de maten: 9,75 bij 6,40 meter, de korte lijn 4,26 meter van de achterwand, de halve-baanlijn, de twee servicevakken van 1,60 meter en de T.
Vooraanzicht van de voormuur van 6,40 meter breed met drie rode lijnen: de uitlijn op 4,57 meter, de servicelijn op 1,78 meter en de tin als grijze strook tot 0,48 meter; ernaast de zijmuur van opzij, waar de uitlijn schuin omlaag loopt van 4,57 meter bij de voormuur naar 2,13 meter bij de achterwand
De voormuur van voren: de tin tot 0,48 meter, de servicelijn op 1,78 meter en de uitlijn op 4,57 meter. Rechts de zijmuur van opzij, waar de uitlijn schuin omlaag loopt naar 2,13 meter op de achterwand.

De service

Elke rally begint met een service uit een van de twee servicevakken, en wie de vorige rally won, serveert. Je serveert pas als de stand is geroepen en de ontvanger klaarstaat. Een goede service voldoet aan vijf eisen.

Je laat de bal uit je hand of van je racket vallen of gooit hem op, en je slaat hem voordat hij iets anders raakt. Op het moment van slaan staat een voet op de vloer binnen het servicevak, vrij van elke lijn; de andere voet mag overal staan, ook in de lucht.

De bal gaat rechtstreeks naar de voormuur en raakt die tussen de servicelijn en de uitlijn, zonder tegelijk een zijmuur te raken. De eerste stuit valt in de kwartbaan schuin tegenover, vrij van elke lijn, tenzij de ontvanger de bal uit de lucht slaat. En de bal is niet uit. Raakt je service de servicelijn, de korte lijn of de halve-baanlijn, dan is het een fault.

Je hebt één kans. Een service die aan een van de eisen niet voldoet, is een fault en de rally is meteen voor de ontvanger, zonder tweede service en zonder let. Laat je de bal vallen zonder een poging om hem te slaan, dan is er nog niets gebeurd en begin je opnieuw. Zwaai je mis terwijl de bal nog in de lucht hangt, dan mag je nog een keer slaan.

Serveer je terwijl de ontvanger niet klaarstaat en geen poging doet om te slaan, dan is het een let en serveer je opnieuw. Was die service fout, dan ben je de rally toch kwijt. De ontvanger mag de service laten stuiten of hem volleren. Onderhands of bovenhands mag allebei; de meeste spelers kennen een hoge lobservice en een harde lage service.

De service in vier stappen naast elkaar: een voet helemaal binnen het servicevak zonder een lijn te raken terwijl de andere voet overal mag, de bal loslaten en slaan voordat hij iets raakt, de bal rechtstreeks op de voormuur tussen de servicelijn en de uitlijn, en de eerste stuit in de kwartbaan schuin tegenover zonder een lijn te raken
De service in vier stappen: een voet in het vak, loslaten en slaan voordat de bal iets raakt, boven de servicelijn op de voormuur, en de eerste stuit in de kwartbaan schuin tegenover.

Tellen: tot 11

Elke rally levert een punt op, ook als je niet serveert: point-a-rally. Wie de rally wint, krijgt het punt en serveert de volgende. Een wissel van serveerder heet hand out. Een game gaat tot 11 punten; staat het 10-10, dan speel je door tot een van jullie twee punten voorstaat: 12-10, 13-11, zonder plafond. Een wedstrijd is meestal best of 5, drie gewonnen games, en soms best of 3.

De stand roep je met de punten van de serveerder eerst. Staat het 5-3 en wint de ontvanger de rally, dan wordt hij serveerder en draait de stand om: "hand out, 4-5". De volgorde zegt dus wie serveert, niet wie voorstaat.

Bij een officiële wedstrijd roept de marker de stand na elke rally, met "game ball" als een speler nog een punt nodig heeft voor de game en "match ball" voor de wedstrijd; 0 is love. Op de club zeg je het zelf, in het Nederlands: "zeven-vier, van rechts."

Schema van een game bij squash: een rij punten van 0 tot 10 met een pijl naar 11 en het woord game, daaronder drie kaders met de regel bij 10-10 (door tot twee punten verschil, 12-10), de wedstrijd best of 5 met 3-0, 3-1 of 3-2, en wat de serveerder roept: eigen stand eerst, hand out, game ball, match ball en 10-all
Een game als een lijn van 0 tot 11, met de regel bij 10-10, de wedstrijd als best of 5, en wat de serveerder roept: eigen stand eerst, hand out, game ball, match ball.

De rally

Na een goede service slaan jullie om de beurt. Je bent aan slag vanaf het moment dat de bal van je tegenstander van de voormuur terugkomt, tot jouw bal de voormuur raakt.

Een terugslag is goed als je de bal correct slaat, met het racket in je hand, één keer en zonder hem te dragen, voordat hij twee keer heeft gestuit. De bal raakt de voormuur boven de tin en onder de uitlijn, rechtstreeks of via een of meer andere muren, zonder eerst de vloer of een speler te raken. Op de terugweg raakt hij de tin niet, en hij is niet uit.

Elke muur mag meedoen. De bal mag eerst een zijmuur raken, de achterwand, of allebei, als hij maar zonder stuit op de voormuur komt. Je mag hem uit de lucht slaan of na één stuit; na de tweede stuit is hij weg. Een bal die na de stuit de achterwand raakt en terugkomt, mag je gewoon spelen, want de muur telt niet als stuit. Tijdens de rally spelen de lijnen op de vloer geen rol: je mag overal staan en de bal mag overal stuiten.

De rally stopt als iemand de bal fout slaat, als een speler een let vraagt, als een official roept, of als de bal een speler raakt. Wie de fout maakt, verliest de rally, of hij nu serveerde of ontving. Raakt de bal jou na je eigen slag of voordat je hem sloeg, zonder dat er hinder was, dan is de rally voor de ander.

De bal op de muren

Onderaan de voormuur zit de tin, een metalen strook tot en met de lijn op 0,48 meter (bij de profs 0,43). Erop of eronder is down, en je hoort het aan het geluid.

Bovenaan loopt de uitlijn op 4,57 meter, over de zijmuren schuin omlaag naar 2,13 meter op de achterwand. Op of boven de uitlijn is uit. De servicelijn op 1,78 meter telt alleen bij de service. Alle lijnen zijn 5 centimeter breed en horen bij uit: op de lijn is fout, anders dan bij tennis en padel.

Bij een fout roept de marker een van vier woorden, en op de club zeg je ze zelf. Fault is een foute service. Down is een bal op de tin, of op de vloer voordat hij bij de voormuur was.

Out is een bal op of boven de uitlijn, tegen de bovenrand van een muur, over de muur of tegen een lamp. Not up is een bal die twee keer stuitte, niet zuiver geslagen werd, of jou of je kleding raakte. Twijfelt de marker, dan roept hij niets en loopt de rally door; zonder marker roep je alleen wat je zeker weet.

De voormuur van voren met drie ballen: een bal op de uitlijn met het woord uit, een bal tussen de tin en de uitlijn met het woord goed, en een bal op de tin met het woord down; ernaast de vier woorden fault, down, out en not up met hun betekenis
De voormuur met drie ballen: op de uitlijn is uit, tussen de tin en de uitlijn is goed, op de tin is down. Rechts de vier woorden fault, down, out en not up.

Gaat de bal tijdens de rally kapot, dan spelen jullie die rally opnieuw. Stop je omdat je denkt dat hij kapot is en blijkt hij heel, dan is de rally voor de ander; knijp dus eerst even.

Een bal die vast komt te zitten, bijvoorbeeld onder de glazen achterwand, is een let. Een rare stuit van een natte plek of een naad in de vloer is geen let. De bal wordt gewisseld als jullie het allebei willen, en na een wissel of een langere onderbreking slaan jullie hem weer warm.

Hinder: let, stroke en no let

Jullie delen dezelfde ruimte en spelen allebei naar de voormuur, dus na je slag maak je ruimte. Je tegenstander heeft recht op vier dingen: vrij zicht op de bal, een vrije weg ernaartoe, ruimte voor een normale zwaai, en de vrijheid om de bal naar elke plek op de voormuur te slaan. Ontbreekt een van de vier terwijl hij alles doet om de bal te spelen, dan is er hinder.

Word je gehinderd, dan stop je meteen, steek je je hand op en vraag je "Let, please". Wie eerst doorspeelt, de bal mist en dan pas vraagt, krijgt niets. Vragen om een let is ook vragen om een stroke. Er zijn drie uitkomsten: no let (de rally is voor je tegenstander), let (jullie spelen over en de serveerder serveert uit hetzelfde vak) en stroke (de rally is voor jou). Op de club beslissen jullie dat samen, en bij twijfel is het een let.

Beslisschema bij hinder met vier vragen onder elkaar: was er hinder, had je de bal gehaald en goed kunnen slaan, deed de ander alles om weg te komen, had je een winnende slag gemaakt; de uitkomsten zijn twee keer no let (je verliest de rally), twee keer stroke (je wint de rally) en onderaan let (overspelen uit hetzelfde vak)
Het beslisschema bij hinder in vier vragen: was er hinder, had je de bal gehaald, deed de ander alles om weg te komen, had je een winnende slag. De uitkomsten: no let, stroke en let.

De beslisregels in gewone taal. Geen hinder: no let. Wel hinder, maar je had de bal toch niet gehaald: no let. Je speelde door en vroeg daarna: no let. De hinder was zo klein dat je de bal kon zien, erbij kon komen en goed kon slaan: no let. De ander deed niet alles om weg te komen terwijl jij een goede slag had: stroke. De ander deed alles en jij had een goede slag: let. Jij had een winnende slag gehad: stroke, ook als de ander zijn best deed.

Draai je zo om je as dat je de bal of je tegenstander uit het oog verliest, of gaat de bal achter je langs, dan is dat turning. Wie draait en toch slaat, slaat blind: stop en vraag een let.

Kwam de hinder door je eigen te grote zwaai, dan is het no let. Staat je tegenstander tussen jou en de voormuur, sla dan niet; zou de bal hem rechtstreeks hebben geraakt, dan is het een stroke voor jou. Veiligheid gaat voor een punt: liever een keer te veel gestopt dan een keer geraakt.

Wisselen en pauzes

Aan het begin van elke game en na elke hand out kiest de serveerder zelf een servicevak, links of rechts; daarna wisselt hij van vak na elke gewonnen rally, zolang hij serveert. Na een let serveert dezelfde speler opnieuw uit hetzelfde vak, want een let telt niet als rally.

Serveer je per ongeluk uit het verkeerde vak en merkt niemand het, dan blijft de uitslag van die rally staan, en win je hem, dan serveer je daarna uit het andere vak. Twijfel je, dan vraag je het: bij een officiële wedstrijd zegt de marker welk vak het juiste is.

Twee squashbanen van boven naast elkaar: links houdt de serveerder de service en wisselt hij met een pijl van het rechter naar het linker servicevak, rechts wint de ontvanger de rally en kiest de nieuwe serveerder na hand out zelf een van de twee vakken
Links: de serveerder houdt de service en wisselt na elke gewonnen rally van vak. Rechts: na een hand out kiest de nieuwe serveerder zelf uit welk vak hij begint.

Tussen de games heb je hoogstens twee minuten, en eerder verdergaan mag als jullie het allebei willen. In de pauze mag je de bal slaan, zodat hij warm blijft. Water drinken doe je in de pauze; tijdens een game verlaat je de baan alleen met toestemming van de scheidsrechter. Breekt je racket, raakt je bril beschadigd of verlies je een contactlens, dan heb je hoogstens twee minuten om het te vervangen. Je tweede racket staat vlak buiten de deur.

Voor een blessure gelden vaste tijden: hooguit drie minuten als je hem zelf veroorzaakte, vijftien minuten als jullie hem samen veroorzaakten of als de ander hem per ongeluk veroorzaakte. Bloed betekent van de baan, het bloeden stoppen en de wond afdekken; bij eigen schuld heb je daar hooguit vijf minuten voor.

Kramp, een blaar of buiten adem zijn geen blessure: je speelt door, of je geeft de game op en gebruikt de pauze. Of je doorspeelt, beslis je altijd zelf.

Gedrag en etiquette

De spelregels beginnen met twee grondbeginselen: veiligheid en fair play. Op de club staat er niemand naast de baan, dus jullie zijn samen de scheidsrechter en de marker. Je geeft eerlijk toe: de tweede stuit, je bal die uit was, de bal van de ander die goed was. Je zegt voor elke service hardop de stand. Bij hinder beslissen jullie samen, en je spreekt elkaar aan als iemand doorspeelt waar hij had moeten stoppen.

Word je afgeleid tijdens de rally, dan vraag je meteen een let. Kwam de afleiding per ongeluk van een van jullie of van buiten, dan is het een let; onderbrak hij een winnende slag van de ander, dan is de rally voor die ander.

Valt je racket, dan raap je het op en speel je door. Valt er iets anders van jou op de vloer, een zweetband, een pet, je bril, zonder contact met de ander, dan is de rally voor de ander. Doe dus alles uit je zakken. Wordt de vloer nat van zweet, dan vraag je aan het eind van de rally om hem te drogen.

De regels noemen wat buiten fair play valt: vloeken en gebaren, duwen, gevaarlijk spel, protesteren tegen een official, je racket of de baan mishandelen, oneerlijk inslaan, tijd rekken, opzettelijk afleiden en coaching aannemen tijdens het spel.

De straftrap heeft vier stappen: een gedragswaarschuwing, een gedragsstroke, een gedragsgame en een gedragswedstrijd. Coachen mag alleen in de pauze tussen de games; ook een gebaar door het glas valt eronder.

Verder gelden de gebruiken: de bal na de rally rustig naar de serveerder spelen, een let-vraag in een paar seconden afhandelen en door, wachten tot de rally voorbij is en de spelers je gezien hebben voordat je een baan opgaat, en de baan op tijd verlaten als de volgende spelers staan te wachten, met je bal en je reservebal.

Het einde van de wedstrijd

De wedstrijd is voorbij zodra een speler drie games heeft gewonnen. Na afloop geef je een hand of tik je rackets: de verliezer feliciteert, de winnaar bedankt. Was de bal kapot, dan zeg je dat voordat je de baan verlaat.

Daarna hoort de nabespreking bij een drankje bij het spel, en een compliment aan je tegenstander kost niets. En de belangrijkste regel staat nergens in het reglement: blijf het leuk vinden. Wie plezier heeft, komt vaker en leert sneller.

Techniek

Vanaf hier gaat het niet meer over de spelregels. Dit is wat veel trainers aanleren; doet je trainer het anders, volg dan je trainer. Squash draait minder om kracht en meer om waar de bal terechtkomt, want de bal komt altijd terug.

Je houdt het racket vast als een hamer, met de V tussen duim en wijsvinger boven op het handvat, en je draait het blad een klein stukje open, zodat de bal boven de tin blijft. Dezelfde grip voor forehand, backhand, volley en service, en zonder knijpen.

Klaarstaan doe je met de voeten iets wijder dan je schouders, de knieën gebogen en het racket omhoog op schouderhoogte. Naar de bal loop je met kleine stappen, de laatste is een uitvalspas, en je slaat met je zij naar de zijmuur. Voeten voor armen: wie op tijd bij de bal staat, slaat rustiger en nauwkeuriger. Dit zijn de acht slagen:

Tabel met de acht slagen van squash (drive, cross, lob, boast, dropshot, volley, service en return) met per slag wanneer je hem slaat en waarom; ernaast een baan van boven met de weg van drie slagen: de drive langs de zijmuur, de boast via de zijmuur kort voorin en de dropshot kort op de voormuur
De acht slagen in een tabel, met wanneer en waarom, en drie ervan op de baan van boven: de drive langs de zijmuur, de boast via de zijmuur en de dropshot kort op de voormuur.

De lobservice is de service om mee te beginnen: van laag naar hoog met een open blad, hoog op de voormuur, zodat de bal via de zijmuur boven het servicevak van de ontvanger in de achterhoek valt. De harde service is de afwisseling. Als ontvanger sta je in de kwartbaan met je racket omhoog en je hoofd over je schouder gedraaid, en je speelt de return diep en langs de zijmuur; komt de service hoog van de zijmuur af, dan volleer je hem.

Tactiek

Squash draait om de positie rond de T. Na je slag geef je de ander eerst de ruimte en dan loop je terug naar de T: net achter de korte lijn, je voeten aan weerszijden van de halve-baanlijn, het racket omhoog. Van daar is elke hoek even ver. Op de T kijk je over je schouder naar de bal en naar de ander: zijn racket vertelt je wat er komt. Laag en zacht is een dropshot, hoog en open een lob, achter hem in de hoek een boast.

Drie squashbanen van boven naast elkaar: na je slag terug naar de T terwijl de ander achterin staat, lengte spelen zodat de ander in de achterhoek blijft, en de fout waarbij je blijft staan waar je sloeg en de ander de T pakt en de bal in het gat voorin speelt
Drie keer de T van boven: na je slag terug naar de T, lengte houdt de ander achterin, en de fout van blijven staan waar je sloeg, met het gat vooraan.

Lengte is de basis: de bal achterin houden, langs de zijmuur, met de drive. Dat is het antwoord op negen van de tien ballen. De rally win je door de ander van hoek naar hoek te sturen, eerst de twee achterhoeken, en pas als hij achter je staat de voorhoeken.

Speel laag, met marge: een handbreedte boven de tin voor een dropshot, boven de servicelijn voor een drive. Kort spelen doe je alleen als de ander achter je staat; een boast uit de achterhoek naar een tegenstander op de T is een dropshot voor hem.

Elke bal bepaalt hoeveel tijd jullie allebei krijgen. Ben je laat of uit positie: lob, en loop naar de T terwijl de bal in de lucht is. Sta je op de T en komt de bal hoog en langzaam voorbij: volley. Wissel hard af met zacht en lengte met kort.

Bij squash heb je één service, dus de lobservice naar de backhand van de ontvanger is je eerste wapen; tegen een rechtshandige kies je het rechter servicevak. De return is diep en langs de muur, altijd.

De fouten die iedereen maakt

Tien fouten die bijna elke beginner maakt, ongeveer in de volgorde waarin je ze tegenkomt:

Vier slimmigheden van ervaren spelers: kijk voor elke slag over je schouder waar de ander staat en kies daarop je slag; laat een harde bal in de achterhoek van de achterwand komen in plaats van hem in de hoek op te vissen; draai tegen een linkshandige alles om, zijn backhand zit rechts; en gebruik de seconden tussen de rally's om uit te ademen en je service te kiezen.

Sneller beter word je met les, met spelers die iets beter zijn dan jij, alleen tegen de muur, en in de laddercompetitie van je centrum.

Wil je meer dan alleen de regels kennen?

Deze pagina geeft je de regels. De complete online squashcursus geeft je de zekerheid: elf lessen in dezelfde volgorde als een wedstrijd, een tekening bij de regels, de techniek, de tactiek en de omgangsvormen waarvan je hierboven een voorproefje zag, 79 oefenvragen en elf memokaarten voor in je tas. Gemiddeld drie uur, in je eigen tempo.

De cursus, vanaf € 14,99 per speler

Bekijk de pakketten